Waarom je leeft

Als je met kinderen zou gaan zitten en ze zou vragen waarom we bestaan, zou hun antwoord misschien grappig, vermakelijk of verrassend diepzinnig zijn. Maar ze zullen waarschijnlijk geen volledige verklaring geven voor zo’n raadselachtige vraag.

En toch is er iets intrigerends aan hoe jonge kinderen het leven zien. Een groot deel van hun identiteit is geworteld in hun plaats binnen het gezin, en voor veel kinderen geeft de liefde die ze van hun ouders ontvangen een gevoel van voldoening en erbij horen dat ze niet volledig begrijpen.

In de loop der jaren begint er iets te veranderen. Naarmate kinderen de adolescentie en volwassenheid bereiken, maken ze kennis met het idee dat het leven een hoger doel heeft. Met dit besef komt vaak een verontrustend gevoel – dat we ons nooit echt vervuld zullen voelen totdat we dat doel ontdekken en nastreven.

In ‘The Meaning of Your Life: Finding Purpose in an Age of Emptiness’ vertelt auteur Arthur C. Brooks verhalen van mensen wier ervaringen dit patroon volgden. Zoals dr. Brooks uitlegt, is het nastreven van je levensdoel een waardevolle onderneming, vaak ondernomen door ambitieuze mensen die een verschil willen maken en voluit van het leven willen genieten. Maar dat neemt niet weg dat ontmoediging kan toeslaan wanneer toewijding en jarenlange harde arbeid geen betekenisvolle resultaten opleveren.

Ondanks hun vele prestaties en ondernemingen en sociale status en hun waardevolle bijdrage in het leven van anderen, moesten de mannen en vrouwen in het boek van Arthur Brooks toegeven dat er nog iets ontbrak – dat er een leegte was die ze gewoon niet konden vullen.

Waarover gaat het? Psychology Today geeft een beknopte definitie van de angst om het hogere en persoonlijke doel te missen als “de stress, onzekerheid, vermoeidheid en frustratie die voortkomen uit het proberen om het diepere levensdoel te definiëren en te bereiken.”

Doelangst wordt vaak afgedaan als minder belangrijk dan alle andere problemen en uitdagingen waarmee mensen in het leven te maken krijgen. Maar de onrust die mensen voelen wanneer ze hun doel niet vinden, mag niet worden genegeerd. Het is een universeel probleem dat direct van invloed is op hoe mensen hun leven leiden.

Doelangst ontstaat wanneer de plekken waar we naar ons doel zouden moeten zoeken, geen bevredigend antwoord bieden, want we zoeken het vaak waar het niet te vinden is.

De personen die A. Brooks interviewde waren succesvol. Ze hadden indrukwekkende onderscheidingen ontvangen, felbegeerde promoties verdiend en carrière gemaakt. “Hun leven zag er van buitenaf benijdenswaardig uit, maar van binnen voelen ze zich leeg. Ze wachten tot hun doel hen vindt, maar dat gebeurt nooit” (2026, p. 10).

Hoewel fysieke bezigheden waarde aan het leven kunnen toevoegen, kunnen ze het doel nooit volledig definiëren, omdat ze geen antwoord geven op de vraag waarom we hier zijn. Zolang we niet weten waarom we op aarde zijn, kunnen we ons doel niet volledig begrijpen.

Waar kunnen we dan het antwoord vinden op deze vraag?

Over het algemeen presenteren boeken en coaches en influencers een paar gebieden waaruit mensen zingeving putten. Maar een nadere beschouwing van deze gebieden laat zien dat elk ervan, hoewel belangrijk, ons gevoel van zingeving ondersteunt in plaats van het te vervullen. Een carrière is niet het ultieme doel

Terwijl we een droombaan nastreven, weten we diep van binnen dat zelfs de meest lonende carrière op zichzelf geen blijvend gevoel van zingeving biedt.

Prediker worstelde eeuwen geleden al met dit concept en erkende dat alles wat we in ons werk bereiken fysiek, beperkt en gedoemd is om te verdwijnen (Prediker 1:3, 14). We zijn geweest, we hebben onze steen verlegd, en we worden vergeten. Dit betekent niet dat we genoegen moeten nemen met banen die we met tegenzin volbrengen. Het nastreven van zinvol werk stelt in staat om te genieten van wat we doen, en dat is Gods bedoeling (Prediker 3:13). Maar we kunnen er niet op vertrouwen dat het ons doel bepaalt.

Ons doel is niet alleen om “de wereld een betere plek te maken”, hoe mooi dat ook mag zijn.

De wereld kent zoveel existentiële uitdagingen dat het moeilijk is om te zien hoe onze inspanningen enig betekenisvol verschil kunnen maken. Dit betekent niet dat we achteroverleunen en weigeren een bijdrage te leveren aan de wereld om ons heen. De Bijbel moedigt ons aan om “goed te doen aan allen” wanneer we de kans krijgen en ons licht laten schijnen voor anderen (Galaten 6:10; Mattheüs 5:14-16).

“Ons ware doel – de ultieme reden van ons bestaan ​​- draait om relaties. Het gaat erom zonen en dochters van God te zijn!”

“We ontdekken dat alleen God blijvende oplossingen kan bieden voor de problemen van de wereld. Hij heeft de verantwoordelijkheid om de wereld te veranderen niet op onze schouders gelegd.

Zelfverbetering zoals het kneden van ons karakter (waar God dikwijls de omstandigheden voor laat meewerken), is inherent spiritueel van aard. Streven naar zelfverbetering – vooral wat betreft ons karakter – is een nobel streven, en de Bijbel biedt ruime instructies voor spirituele groei. Door de Bijbel als leidraad te gebruiken, werken we naar ons doel toe. Maar we streven niet naar groei louter omwille van de groei. Ons doel bepaalt welke groei we moeten nastreven, waarom die groei belangrijk is en wat de uiteindelijke uitkomst van onze inspanningen zal zijn.

Relaties geven veel betekenis en kleur aan het leven. Het is veilig om te zeggen dat een leven zonder betekenisvolle menselijke connecties er somber uitziet. Wanneer we terugkijken op ons leven, bestaan ​​onze mooiste herinneringen steevast uit momenten die we met geliefden hebben gedeeld – de momenten waarop we elkaar aanmoedigden en steunden, oprecht advies gaven en ontvingen en elkaars lasten droegen.

Hoe essentieel deze relaties ook zijn en hoeveel ze ons leven ook verrijken, op zichzelf vormen ze niet de reden van ons bestaan. Maar onze familierelaties kunnen een voorproef geven van dat diepere doel.

Ons ware doel – de ultieme reden van ons bestaan ​​– draait erom zonen en dochters van God te zijn!

Romeinen 8:29 zegt dat Jezus Christus – Gods Zoon en erfgenaam – “de eerstgeborene onder vele broeders” is, en 2 Korintiërs 6:18 zegt dat God een Vader voor ons zal zijn en dat wij Zijn zonen en dochters zullen zijn.

Met dit ware doel als fundament kunnen we de rest van ons leven vormgeven en opbouwen. De relaties die we in dit leven opbouwen, leren hoe we elkaar moeten liefhebben en in harmonie samenleven, zoals we dat ook in Gods Koninkrijk zullen doen. De Bijbel maakt duidelijk dat we een rechtvaardig karakter moeten ontwikkelen door de zonde te overwinnen en te groeien.

Zij die hun ware doel kennen, ontvangen een extra geschenk: bevrijding van de angst om hun doel te missen. We zijn geschapen voor iets groters en vinden troost in de wetenschap dat onze liefdevolle Vader een doel voor ons heeft dat alles wat dit leven te bieden heeft, ver overstijgt. Wat een geweldig geschenk is het om Zijn kinderen te zijn!

Jesaja 56:5 vat het samen : Ik zal hun in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan die van zonen en dan die van dochters; een eeuwige naam zal Ik ieder van hen geven, een naam die niet uitgewist zal worden.

Discussies over de dood

Het populaire onderwerp van de hel 

Steve Wohlberg schreef een 12delige serie “Discussies over de dood” die we opnamen in onze flyerserie Zonde & Dood. In zijn laatste deel, maakt hij de conclusie:

“Mijn eigen moeder – die onlangs 73 jaar is geworden – gelooft niet in Jezus Christus. Mijn broer ook niet. Dat geldt ook voor veel van mijn joodse familieleden. Volgens veel goedbedoelende christelijke leraren zijn deze familieleden van mij gedoemd tot eeuwige vlammen als er niets verandert.”

“Gedurende deze serie heb ik geprobeerd deze populaire leerstelling uit Gods Woord te weerleggen. Ik heb teksten aangehaald als: “Het loon van de zonde is de dood” (Romeinen 6:23), en de woorden van Jezus Christus zelf: “Want God had de wereld zo lief dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, zodat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven hebbe” (Johannes 3:16). Op basis van mijn onderzoek betekenen woorden als ‘dood’ en ‘vergaan’ niet ‘bewuste eeuwige kwelling’. Integendeel, ze bedoelen precies wat ze suggereren: dat de niet-geredden op een dag zullen ophouden te bestaan. Door hun zondige keuzes hebben de verlorenen het eeuwige leven verspeeld. Na de Dag des Oordeels en een rechtvaardig vonnis is het enige dat een barmhartige God kan doen, de stekker eruit trekken en een einde maken aan hun bestaan. Ik bid dat mijn familieleden wakker zullen worden voordat het te laat is.

In de afgelopen berichten hebben we belangrijke passages nauwkeurig onderzocht die, althans op het eerste gezicht, mijn conclusies lijken tegen te spreken. 

We hebben besproken “afwezig uit het lichaam” (2 Kor. 5:8), de stervende dief (Lucas 23:43), de verschijning van Mozes en Elia (Lucas 9:28-36), en zielen onder het altaar ( Openbaring 6:9-11). 

Het is nu tijd om je te verdiepen in de Moeder aller Helleverzen: de Rijke Man en Lazarus. Meer dan welke andere passage ook wordt dit gedeelte gebruikt om te bewijzen dat verloren zondaars niet onbewust in hun graf slapen in afwachting van de opstanding (wat zoveel Bijbelverzen duidelijk leren – zie Prediker 9:5, 10, Ps. 13:3; Handelingen 7:60; Johannes 5:28, 29; 6:39, 40, 44, 54; 11:11-14, enz.), maar dat ze bij de dood onmiddellijk in vlammen opgaan en voor eeuwig sissen. Laten we dat eens van dichterbij bekijken.

Het verhaal staat in Lukas 16:19-31. Vanwege ruimtegebrek zal ik niet de hele passage citeren.

Jezus verklaarde:  Er was een zekere rijke man die gekleed was in paars en fijn linnen en het elke dag voortreffelijk deed. Maar er was een zekere bedelaar genaamd Lazarus, vol zweren, die bij zijn poort werd gelegd, verlangend gevoed te worden met de kruimels die van de tafel van de rijke man vielen. Bovendien kwamen de honden en likten zijn zweren. Zo gebeurde het dat de bedelaar stierf en door de engelen naar Abrahams boezem werd gedragen. De rijke man stierf ook en werd begraven. En terwijl hij in de Hades werd gekweld, sloeg hij zijn ogen op en zag Abraham van ver weg, en Lazarus in zijn boezem. Toen riep hij en zei: ‘Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus zodat hij de top van zijn vinger in water kan dopen en mijn tong kan afkoelen; want ik word gekweld in deze vlam.’

Nadat hij zijn verzoek had afgewezen, zei Abraham uiteindelijk tegen de rijke man:

‘Als ze Mozes en de profeten niet horen, zullen ze zich ook niet laten overtuigen, ook al staat iemand uit de dood op.’

Om te beginnen wil ik één belangrijk cruciaal punt naar voren brengen: dit is de ENIGE plaats in het hele Nieuwe Testament waar staat dat een verloren ziel onmiddellijk na de dood afdaalt in een vurige hel! Een dergelijke leerstelling wordt nergens anders onderwezen – niet door Matteüs, Marcus, Johannes, Jakobus, Petrus of Paulus. Paulus schreef het grootste deel van het Nieuwe Testament, en hij onderwees het niet één keer.

Ten tweede vertelde Jezus vaak ‘gelijkenissen’ of verhalen die symbool stonden voor diepere waarheden. Hoewel gelijkenissen veel praktische lessen bevatten, moet niet elk punt letterlijk worden genomen. Is dit verhaal een gelijkenis? Wij geloven van wel.

Hier zijn 7 redenen waarom:

  1. Jezus begon Zijn gelijkenissen vaak met de zinsnede: “een zekere…” dit of dat (zie Lukas 14:16; 15:11; 16:1; 19:11, 12; 20:9). Als je deze verzen in het evangelie van Lucas opzoekt, zul je ontdekken dat het allemaal gelijkenissen zijn. Het is dus logisch om aan te nemen dat het verhaal van de Rijke Man en Lazarus ook een gelijkenis is.
  2. Een mens kan niet fysiek in “de boezem” of borst van iemand anders binnengaan, zoals Christus beschreef.
  3. Kan iemand die letterlijk in vlammen opgaat een normaal gesprek voeren?
  4. Kunnen degenen in de hemel en de hel met elkaar praten?
  5. Jezus stelt de rijke man voor als lichamelijk in de hel, met ogen, een mond, een tong, enz. Dit is uiteraard symbolisch. Als je het graf van een echte rijke man zou opgraven, zou zijn lichaam daar dan niet zijn? Natuurlijk!
  6. Een echte brandende man zou niet alleen om een ​​beetje water vragen om zijn tong te koelen. Hoe zit het met de rest van zijn lichaam?
  7. Bewustzijn bij de dood is in tegenspraak met de rest van de Bijbel.

Het is veelbetekenend dat Jezus niet alle gelijkenissen die Hij vertelde, interpreteerde. Maar toen Zijn discipelen Hem vroegen om een ​​andere gelijkenis over onkruid in een veld te interpreteren, legde Jezus duidelijk uit dat het hellevuur plaatsvindt aan ‘het einde van deze wereld’, in plaats van bij de dood (zie Matteüs 13:36, 40-42).

De context van de gelijkenis van Christus laat zien dat Hij rechtstreeks tot rijke Farizeeën sprak, die Hem met hun woorden bespotten (zie Lukas 16:14). Farizeeën geloofden dat de rijken gezegend waren, terwijl de armen onder Gods vloek leefden. 

Jezus zette de zaken op zijn kop door een geredde arme man en een verloren rijke man te beschrijven. Het gedeelte over de rijke man die vroeg om zijn tong te kalmeren was een directe waarschuwing aan die Farizeeën dat hun lippen hen naar het hellevuur katapulteerden. Ten slotte verklaarde Jezus aan het einde van Zijn gelijkenis dat zelfs het opwekken van Lazarus uit de dood de twijfelaars niet zou overtuigen.

Dit leidt tot het volgende punt: Waarom specificeerde Jezus de naam Lazarus? Omdat Zijn gelijkenis ook een profetie was. Later zou Jezus een echte persoon met de naam Lazarus tot leven wekken, maar dit wonder zou de Farizeeën er niet van overtuigen dat Hij de Messias was (Johannes 11:1-53).

We moeten gelijkenissen interpreteren in het licht van de rest van de Bijbel, in plaats van de rest van de Bijbel in het licht van één gelijkenis. En de rest van de Bijbel is onmiskenbaar duidelijk: de doden zijn dood, slapen in hun graven en wachten in stilte op de Dag van de Opstanding.

Deze tekst komt uit flyer C113H / Zijn de doden dood? / 7

Hier legt Doug Bachelor het duidelijk uit :

Tot de dood ons scheidt

Ons leven op aarde is beperkt in de tijd. Terwijl mensen er alles aan doen om de dood uit te stellen, worden wij geconfronteerd met die dag en moesten wij afscheid nemen van een dierbare. Als ik terugkijk op de momenten dat een dierbare stierf: mijn grootvader, later mijn moeder, vader, vrienden… dan weet je dat je zelf kwetsbaar en eindig bent. Dat doet vragen stellen naar: waarom, waartoe, waarheen…? Elke keer als je iemand zijn laatste adem ziet uitblazen, dringt het weer door hoe fragiel het leven is. David, nog jong en vol kracht, zei tegen Jonathan: “Er is maar een stap tussen mij en de dood” (1 Samuel 20:3).

Een groot deel van ons leven gaan we ons leven in zonder stil te staan ​​bij de vergankelijkheid ervan. Vooral als we jong zijn, trekken we ons er nauwelijks iets van aan dat ons leven een tijdslimiet heeft. We leven alsof we bijna onsterfelijk zijn!

Maar de realiteit is dat ons leven op een gegeven moment, om de een of andere reden, zal eindigen en dat we zullen terugkeren tot het stof waaruit we zijn genomen (Genesis 3:19).

Naarmate we ouder worden, verliezen de meesten van ons die illusie van ‘onsterfelijkheid’ en beginnen we na te denken over het einde van ons leven, wetende dat het elke avond dat we gaan slapen weer een dag dichterbij komt.

De Bijbel bevestigt dit zeker:

“Want Hij kent onze gesteldheid, Hij weet dat wij stof zijn. De dagen van de mens zijn als gras, als een bloem van het veld, zo bloeit hij. Want de wind waait eroverheen, en hij is verdwenen, en zijn plaats herinnert zich hem niet meer” (Psalm 103:14-16).

God heeft nooit bedoeld dat dit fysieke leven zou eindigen, maar na de zondeval heeft God zelf het leven begrensd. 

Het is zo gemakkelijk om het leven als vanzelfsprekend te beschouwen, om aan te nemen dat het maar doorgaat. Dat betekent natuurlijk dat we gemakkelijk een aantal belangrijke dingen die we ooit willen doen, kunnen uitstellen – we kunnen gemakkelijk denken dat er altijd wel meer tijd is om ze later te doen.

Totdat er plotseling geen tijd meer is.

Dit roept de vraag op wat we met onze tijd doen. Gebruiken we de dagen, weken en jaren die nog voor ons liggen zoals onze hemelse Vader dat wil?

Tweemaal spoort de apostel Paulus ons aan om “de tijd te benutten” (Efeziërs 5:16; Kolossenzen 4:5). Deze uitdrukking is bedoeld om aan te tonen dat tijd kostbaar en waardevol is, en dat we er altijd zorgvuldig en ijverig mee om moeten gaan.

God geeft ons maar een beperkt aantal jaren op aarde, en voor je het weet zijn die jaren voorbij.

Hebben we zonden en goddeloze gewoonten die we moeten veranderen, maar denken we: “Daar kom ik wel een keer aan toe”? God staat klaar om te helpen, maar we hebben geen tijd over om die plicht te laten liggen!

Het vergt hard werk, en de kracht van Gods Geest, om te erkennen wat zondig is in onszelf, en om te bekeren en te veranderen. We moeten die dingen loslaten en ze vervangen door de dingen van God.

Om dat te bereiken, moeten we het Woord van God zorgvuldig en ijverig bestuderen en dagelijks tijd doorbrengen in gebed met onze Vader, om Hem te vragen om ons te helpen meer op Hem te lijken. Maar we moeten daar wel tijd voor vrijmaken.

Hoe we anderen behandelen en hoe we voor onze gezinnen zorgen, is belangrijk. Dan is er onze geestelijke familie – Gods Kerk. Er zijn altijd behoeften en altijd manieren waarop ieder van ons elkaar en anderen in nood kan dienen. We moeten er alleen de tijd voor maken.

Een groot deel van ons leven gaan we gewoon door, zonder veel na te denken over de kwetsbaarheid en kortheid van het leven. Maar wanneer leeftijd en omstandigheden ons confronteren met hoe fragiel het leven werkelijk is, is het een goede herinnering aan hoe we de tijd die ons gegeven is, moeten besteden.

Ik wil altijd onthouden dat mijn leven als gras is en spoedig zal verdorren, net als zoveel anderen die mij voorgingen. Daarom moet ik ervoor zorgen dat ik de tijd die ik heb zorgvuldig en ijverig besteed om te worden wat mijn Vader mij heeft geroepen te worden.

P.S. Heb je je ooit afgevraagd wat er gebeurt als je sterft? Veel opvattingen over het leven na de dood komen niet overeen met wat de Bijbel zegt. Kun je weten wat er werkelijk gebeurt als je sterft? Zeker, het is geen mysterie. De dag komt dat allen die in de graven zijn Gods stem zullen horen en zullen opstaan. Sommigen met een verheerlijkt lichaam tot eeuwig leven – anderen om te aanhoren wat ze hebben verspeeld om aan het vuur te worden prijsgegeven. 

Heb je hulp nodig om te ontdekken wat de Bijbel zegt over de dood of over het leven na de dood? Onze flyerserie Zonde en Dood bevat talrijke flyers over dit onderwerp!

De ziel die zondigt

De ziel die zondigt, zal sterven

In deze periode van het jaar denken mensen vaker aan hun dierbare overledenen. Waar zijn ze? Hoe zijn ze? Hoe zit het met het leven na de dood?

Het antwoord hierop hangt af van de bron die we willen gebruiken. Maar voor diegenen die op God en op Zijn Woord vertrouwen, is er een heerlijke boodschap die doorheen de hele Bijbel altijd dezelfde is. In een profetische boodschap in Ezechiël 18 benadrukt God dat Hij hen zal zegenen en behouden die rechtvaardig leven (verzen 5-9). En in vers 4 stelt Hij nadrukkelijk: „Zie, alle zielen zijn van Mij; zowel de ziel van de vader als de ziel van de zoon is van Mij; de ziel die zondigt, zal sterven.”

Het ​​woord dat in dit vers vier keer met „ziel(en)” is vertaald, is hetzelfde Hebreeuwse woord (nephesh) dat in Genesis 2:7 met „levend wezen” is vertaald. Wanneer God het leven wegneemt, wordt het „levende wezen” een „dood wezen” — precies zoals God Adam had gewaarschuwd.

In de Bijbel zien we wat de toestand is van een ziel die niet meer leeft. Salomo verklaarde in Prediker 9:5: “Want de levenden weten dat zij zullen sterven, maar de doden weten niets.” In datzelfde verband stelde Salomo: “Al wat uw hand vindt om te doen, doe dat naar uw vermogen; want er is geen werk, overleg, kennis of wijsheid in het graf waarheen u gaat” (Prediker 9:10).

Met andere woorden: Salomo spoort ons aan om het beste uit ons leven te halen, omdat er na de dood geen sprake meer is van bewustzijn, besef, kennis of productiviteit.

Jezus sprak over de dood als een vorm van slaap. Let op het gesprek tussen Jezus en de discipelen in Johannes 11:11-14: “‘Onze vriend Lazarus slaapt, maar Ik ga erheen om hem wakker te maken.’ Toen zeiden Zijn discipelen: ‘Heere, als hij slaapt, zal hij weer gezond worden.’ Jezus sprak echter over zijn dood, maar zij dachten dat Hij sprak over rusten in de slaap. Toen zei Jezus hun ronduit: ‘Lazarus is dood.'”

De term ‘slaap’ wordt gebruikt om de dood te beschrijven, omdat iemand die diep slaapt, lijkt op iemand die in het graf ligt: ​​bewusteloos, niet productief en zich niet bewust van het verstrijken van de tijd.

Waarom is er behoefte aan een opstanding, een oordeel of het bekleden met onsterfelijkheid?

Hebreeën 9:27 stelt: “En zoals het voor de mensen vaststaat dat zij eenmaal moeten sterven en daarna het oordeel…” Wanneer we dit vers in de context van andere teksten bekijken, zien we een bepaalde volgorde van gebeurtenissen. Na het overlijden ligt iemand in het graf te wachten op de opstanding. 

Jezus sprak over een toekomstige tijd waarin de doden leven zouden ontvangen, en Hij beschreef ook een tijd van oordeel: “Verwonder u daar niet over, want de tijd komt waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen en tevoorschijn zullen komen: zij die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en zij die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van de veroordeling” (Johannes 5:28-29).

De apostel Paulus zegt dat er een tijd komt waarin wij, die sterfelijk zijn, ons met onsterfelijkheid zullen “bekleden”: “Want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt, en wij zullen veranderd worden. Want dit vergankelijke moet zich met onvergankelijkheid bekleden en dit sterfelijke moet zich met onsterfelijkheid bekleden” (1 Korinthiërs 15:52-53).

Zijn punt is dat wij nog niet over onsterfelijkheid beschikken. Er moet een verandering plaatsvinden, zodat we ons met onsterfelijkheid kunnen “bekleden”.

Waarom zou dit nodig zijn als we onsterfelijke zielen zouden zijn? Wat is het nut van een opstanding als iemand nooit echt sterft? Waarom zou er een dag van het oordeel nodig zijn als we bij ons overlijden direct onze beloning ontvangen? Waarom moet dit sterfelijke lichaam zich “met onsterfelijkheid bekleden” als we al onsterfelijk zijn?

Het voor de hand liggende antwoord is dat de leer over de onsterfelijke ziel onjuist is. Iemand die sterft, bevindt zich in het graf – bewusteloos en zich niet bewust van het verstrijken van de tijd – in afwachting van de opstanding.

Als onze dierbaren bij hun dood niet naar een “betere plek” gaan, is er dan geen troost te vinden met betrekking tot het lot van de doden?

Iets beters in het vooruitzicht: eeuwig leven

Een van de bekendste bijbelteksten zegt dat Gods uiteindelijke doel met de mensheid is om ons iets te geven wat we nog niet hebben: “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft” (Johannes 3:16;).

Sterker nog, in Titus 1:2 schrijft Paulus dat hij leefde “in de hoop op eeuwig leven, dat God, Die niet liegen kan, vóór de tijden der eeuwen beloofd heeft.”

Niemand van ons heeft op dit moment al eeuwig leven, maar het is de gave die God voor ons in het vooruitzicht stelt. Als dit leven sterfelijk en tijdelijk is, wanneer en hoe zal Hij die gave dan schenken? Terwijl u dit leest, is in het hemelse heiligdom het oordeel bezig over zij die ons zijn voorgegaan in de dood. Bij de wederkomst van Jezus zullen zij “die Hem verwacht hebben” opstaan met een verheerlijkt lichaam en Hem tegemoet gaan in de lucht. Duizend jaar later vindt de tweede opstanding plaats om het oordeel te voltrekken over de onrechtvaardigen.  

De valse leer van de onsterfelijkheid van de ziel vertroebelt het inzicht in Gods geweldige en wonderbaarlijke plan om de gave van eeuwig leven te schenken aan zij die hun heil van Hem verwachten. Wanneer we die leer opzij schuiven, ontdekken we de bijbelse waarheid – de werkelijke hoop die we hebben – zowel in dit leven als daarna.

In Flyermap 4 / Zonde & Dood vind je tientallen thema’s die een bijbels licht werpen op het wat, wanneer & hoe van het leven na de dood.

Overdenk de uitdaging van Elia : Wie is uw God?

Hier gezongen door Advent World “Answer me o Lord !

Wat is dat met de ziel?

Hebben mensen een onsterfelijke ziel?

Het zal u misschien verbazen dat de algemene opvatting dat de mens een onsterfelijke ziel heeft (of is), geen leer is die uit de Bijbel afkomstig is.

De dood is een realiteit van het leven, ook al denken we er liever niet over na. De dood kan ingrijpend zijn en ons scheiden van familie en vrienden. We willen graag geloven dat er iets beters wacht op een overleden dierbare – dat hij of zij naar een “betere plek” is gegaan.

Wat er na de dood gebeurt, is een mysterie. Dit wordt nog ingewikkelder gemaakt door de overtuiging van de meeste mensen dat de dood niet echt het einde van het leven betekent. Zowel christenen als niet-christenen gaan er doorgaans van uit dat de ziel van een goed mens bij het overlijden direct naar de hemel (of een andere eeuwige beloning) gaat, terwijl de ziel van een slecht mens in de brandende vlammen van de hel (of een andere plaats van eeuwige straf) terechtkomt om daar eeuwig te worden gepijnigd.

Die opvatting berust op de onjuiste aanname dat ieder van ons een onsterfelijke ziel is die in een fysiek lichaam leeft, en dat de ziel blijft voortbestaan ​​wanneer het lichaam sterft. Als dat waar zou zijn, zou de ziel na de dood ergens naartoe moeten gaan – en zo komen we bij de gangbare ideeën over hemel en hel.

De werkelijkheid ziet er echter heel anders uit. We moeten begrijpen wat het doel van het leven is en waarom we sterven. Wanneer we begrijpen waar het bij leven en dood om draait, kunnen we weten dat er inderdaad iets veel beters wacht op degenen die gestorven zijn – maar waarschijnlijk niet wat u dacht. De Bijbel maakt duidelijk dat de ziel niet onsterfelijk is en dat een mens na de dood noch naar de hemel, noch naar de hel gaat.

De bijbelse definitie van een ziel

In Genesis 2:7 lezen we: “En de HEERE God vormde de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; en de mens werd een levend wezen.” (een levende ziel)

Merk op dat er in dit gedeelte niet staat dat Adam een ​​ziel kreeg of dat er een of andere levensvorm, een ‘ziel’ genaamd, in hem werd geplaatst. Er staat dat hij een levende ziel werd (in het Hebreeuws: *nephesh*).

Mensen zijn levende wezens die door God, via de schepping, op wonderbaarlijke wijze de gave van het leven hebben ontvangen. Zowel de ervaring als de Schrift leert ons dat ieders leven eindigt in de dood. Maar wat gebeurt er daarna?

Kort na zijn schepping werd Adam gewaarschuwd dat zijn leven hem ontnomen zou worden als hij ongehoorzaam zou zijn aan God door te eten van de vrucht van een bepaalde boom in de Hof van Eden: “Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven” (Genesis 2:17).

Wat bedoelde God toen Hij Adam waarschuwde dat hij zou “sterven”?

Niet lang na die waarschuwing aten Adam en Eva van die boom en kregen ze te horen: “In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u terugkeert naar de aardbodem, want daaruit bent u genomen; want stof bent u en tot stof zult u terugkeren” (Genesis 3:19). Er staat hier niet dat alleen hun lichamen zouden sterven. Ondanks moderne opvattingen is er in de Bijbel geen aanwijzing te vinden dat een soort geestelijke ziel in een andere vorm, op een andere plaats of in een andere dimensie zou voortleven.

De oorsprong van de leer van een onsterfelijke ziel

Het was in feite Satan (voorgesteld als een slang) die tegen Eva loog en haar vertelde dat ze niet zou sterven als ze van de vrucht van de boom zou eten: “Toen zei de slang tegen de vrouw: ‘U zult zeker niet sterven. Want God weet dat op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en u als God zult zijn, kennende goed en kwaad'” (Genesis 3:4-5).

Door Eva te misleiden, probeerde Satan Gods gezag te ondermijnen door te beweren dat het negeren van Zijn instructie niet tot de dood zou leiden, maar dat zij, net als God, het vermogen zou hebben om te beslissen wat goed en kwaad is. Satan suggereerde ook dat zij, net als God, niet zou sterven. Met andere woorden: Satan introduceerde het concept van de onsterfelijke ziel.

Satans misleiding is de standaard van het christendom geworden, overgenomen uit de overtuigingen van oude heidenen. De online editie van de Catholic Encyclopedia stelt:

“Egypte levert al in een zeer vroeg stadium overvloedig bewijs van een uiterst levendig en intens geloof in een leven na de dood. Offers van allerlei soorten voedsel aan de geesten van de overledenen, uitgebreide begrafenisrituelen en de wonderbaarlijk vakkundige mummificatie van de lichamen van de overledenen getuigen allemaal van de kracht van de overtuiging van de Egyptenaren omtrent de werkelijkheid van het hiernamaals“ (artikel “Immortality”).

Hetzelfde artikel vermeldt ook dat de Griekse filosoof Plato in de vierde eeuw v.Chr. de leer van de onsterfelijkheid van de ziel populair maakte:

“Het was echter in de handen van zijn [Socrates’] grote leerling Plato dat de leer haar meest uitvoerige filosofische uiteenzetting en verdediging kreeg. … Voor Plato is de ziel een wezen dat volledig losstaat van het lichaam; ze verhoudt zich tot het lichaam zoals de stuurman tot het schip of de wagenmenner tot de wagen. De rationele ziel is de eigenlijke ziel van de mens. Het is een goddelijk element, en juist dit is onsterfelijk.”

In de Phaedo stelde Plato: „De ziel, waarvan leven een onafscheidelijke eigenschap is, zal nooit het tegenovergestelde van leven — de dood — toelaten. Zo wordt aangetoond dat de ziel onsterfelijk is, en omdat ze onsterfelijk is, ook onverwoestbaar” (Plato the Teacher: Being Selections From the Apology, Euthydemus, Protagoras, Symposium, Phaedrus, Republic and Phaedo of Plato, 1897, p. 449). Over de dood redeneerde hij verder: „Is dit [de dood] iets anders dan de scheiding van ziel en lichaam? … Dood zijn is het bereiken van deze scheiding, waarbij de ziel in zichzelf bestaat en van het lichaam gescheiden is” (pp. 425-426).

Voor deze opvatting wordt geen andere bron aangevoerd dan Plato’s eigen logica. Wat bijna universeel wordt geloofd en onderwezen, is niet afkomstig uit de Bijbel, maar gebaseerd op de redeneringen van deze heidense Griekse filosoof, die honderden jaren vóór de geboorte van Jezus leefde.

Wie Hij was

De Romeinse gouverneur van Judea, Pontius Pilatus, zag zichzelf voor een moeilijke situatie gesteld toen Jezus voor hem werd geleid. Hij probeerde de confrontatie die zich voor zijn ogen ontvouwde weg te drukken. Toen Pilatus de aanklacht hoorde, maakte dit hem bang. “Omdat hij zich de Zoon van God heeft genoemd” (Johannes 19:7).

Pilatus’ vraag verraadde zijn angst, dat hij niet met een gewoon mens te maken had. Hij had zojuist een bericht van zijn vrouw ontvangen, waarin zij meedeelde dat zij in een droom een waarschuwing had ontvangen om zich niet met deze onschuldige man in te laten (Mattheüs 27:19). Pilatus wist dat Jezus aan hem was overgeleverd omdat de priesters verbitterd en jaloers op Hem waren en Hem verachtten (vers 18). Toch kon Pilatus niet aan zijn ontmoeting met het noodlot ontkomen.

Hij stelde aan Jezus de vraag: “Waar komt U vandaan? ” (Johannes 19:9). Pilatus wist al dat Hij uit Galilea kwam. Maar het ging hem er niet om uit welk gebied deze Joodse leraar afkomstig was. Pilatus wilde weten waar Hij werkelijk vandaan kwam. Jezus zweeg. Zijn claim dat Hij de Zoon van God was, had de vraag al beantwoord. Maar Pilatus kon dat antwoord niet accepteren.

Dat zou het hele verschil in de wereld hebben gemaakt. De apostel Paulus zei dat geen van de leiders van deze wereld werkelijk wist wie Jezus was, waar Hij vandaan kwam en wat het doel van Zijn komst was. “Immers, als zij die gekend hadden, zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben” (1 Korinthe 2:8).

Pilatus kon niet met dit inzicht omgaan. Hij wist op dát moment wat juist was, maar hij was bang om zijn macht te verliezen. Hij was bang voor Caesars reactie als hem zou worden gerapporteerd dat hij niets deed aan de situatie, waarbij iemand een dreiging vormde voor de Romeinse controle over die regio (Johannes 19:12). Hij was bang voor een opstand als hij niet zou toegeven aan de eisen van de Joodse leiders. Hij was ook bang voor Jezus, omdat hij er niet zeker van was met Wie hij te maken had.

Uiteindelijk won het politieke eigenbelang. Alles was klaar om zowel de mensheid aan te klagen vanwege hun zonden als om te voorzien in hun vergeving. Pilatus gaf de opdracht om Jezus te kruisigen. De waarheid werd ontkend; en iedereen zou daar op een later moment mee worden geconfronteerd.

De meesten proberen onprettige waarheden te negeren en keuzes te maken, waarvan we denken dat deze goed voor ons zijn. Zou u een werkelijkheid, die voor u te moeilijk te aanvaarden zou zijn, onder ogen durven zien als u met bewijs omtrent de ware identiteit van Jezus geconfronteerd zou worden? Diep van binnen zouden we realiseren dat het ons leven, zoals we dat nu kennen, zou veranderen. Dus wellicht is het maar beter – zo redeneren we dan – om niet te diep in deze materie te duiken en onszelf een uitweg (excuus) te verschaffen. Dat is de route die Pilatus bewandelde. Maar kennen we ook de consequenties?