Hij droech onse
smerten
De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,
De
bloet-bedropen croon die uwen schedel droech :
Want die is al geschiet, eijlaes ! om mijne sonden.
Hij droech onse
smerten
Ten zijn de Joden niet, Heer
Jesu, die u cruijsten,
Noch die verradelijck u togen voort gericht,
Noch die versmadelijck u spogen int gesicht,
Noch die u knevelden, en stieten u vol puijsten;
T’en sijn de crijchs-luij niet die met haar felle
vuijsten,
Den rietstock hebben of den hamer opgelicht,
Of het vervloeckte hout op Golgotha gesticht,
Of over uwen rock tsaem dobbelden en tuijschten1;
Ick bent, o Heer, ick bent die u dit heb gedaen,
Ick ben den zwaren boom die u had overlaen,
Ick ben de taeije streng daermee ghij ginct gebonden,
De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,
De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech :
Want die is al geschiet, eijlaes ! om mijne sonden.
Jacobus Revius
(1586-1658)